|
INLEIDING
Twee mensen die op dezelfde dag geboren zijn en erg op elkaar lijken is vaak de eerste omschrijving die men geeft bij het begrip tweelingen. Toch is dit niet helemaal waar. Tweelingen worden op ongeveer hetzelfde moment geboren, dat klopt, maar ze hoeven niet persé erg op elkaar te lijken.
Meer dan de helft van de tweelingen is twee-eiig, dat betekent dat ze net zo veel of weinig op elkaar lijken als broers en zussen. Ze hoeven dan ook niet van hetzelfde geslacht te zijn.
In Nederland werden volgens het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) in 2003 3616 tweelingen geboren, dat betekent dat 18 op de 1000 geboorten een tweeling was. Dat aantal is de laatste jaren sterk toegenomen. De belangrijkste reden voor deze toename is het stijgende gebruik van behandelingen bij verminderde vruchtbaarheid, zoals IVF (In Vitro Fertilisatie) wat letterlijk bevruchting in glas betekent. De eicel wordt buiten het lichaam bevrucht en een of twee bevruchte eicellen worden in het lichaam teruggeplaatst. Als beide bevruchte eicellen uitgroeien tot embryo’s ontstaat er een tweeling.
Het is waarschijnlijk al duidelijk dat mijn onderzoek gaat over tweelingen. De aanleiding van dat onderzoek is het kopje: ‘Waarom ben jij slimmer dan ik?’ dat ik op internet tegenkwam. Die zin sprak me aan en daar wilde ik iets mee gaan doen. Ik keek naar de omschrijving van het onderwerp en zag daar een plaatje staan van een tweeling. De beschrijving ging daar niet over, maar daardoor kwam ik op het idee om iets met tweelingen en intelligentie te doen. Vervolgens ben ik gaan kijken naar het onderwerp: ‘overeenkomsten in intelligentie bij eeneiige tweelingen’.
Nadat ik mijn onderwerp gekozen had ben ik verder gaan zoeken naar informatie over tweelingen en hun intelligentie. Ik kwam erachter dat tweelingen een vaak onderzocht fenomeen zijn. De wetenschap vindt eeneiige tweelingen erg interessant omdat bekend is dat ze genetisch gelijk zijn, daardoor kunnen ze verschillende eigenschappen of ziekten onderzoeken op erfelijkheid. Als iets erfelijk is betekent het dat het in de genen zit. Als een bepaalde ziekte of eigenschap bij de eeneiige tweelingen hetzelfde zijn zou dat kunnen betekenen dat het erfelijk is. Door uitgebreid onderzoek te doen kan dan vastgesteld worden of het ook daadwerkelijk erfelijk is of niet.
In Amsterdam is er een tweelingenregister van de Vrije Universiteit waar al jaren onderzoek mee wordt gedaan. Ook intelligentie is een onderwerp dat al gedeeltelijk onderzocht wordt. Onder andere door Daniëlle Posthuma is onderzoek gedaan naar het IQ bij eeneiige tweelingen. In haar onderzoek heeft ze gekeken in welke mate intelligentie verklaard kan worden door erfelijkheid. Maar IQ is niet het enige aspect van intelligentie. In mijn onderzoek splits ik intelligentie op in IQ en leervermogen. Naar leervermogen wordt wel onderzoek gedaan, maar over die onderzoeken en de resultaten is nauwelijks iets bekend.
In het volgende hoofdstuk getiteld literatuuronderzoek, zal ik dieper in gaan op de bekende theorie over tweelingen, intelligentie en genetica. |
LITERATUURONDERZOEK
In dit hoofdstuk ga ik in op de theorie. Ik behandel de volgende onderwerpen:
- Intelligentie
- Tweelingen
- Genetica van tweelingen en intelligentie (dit komt aan bod in de bovenstaande kopjes)
Dit is belangrijk om mijn onderzoek goed te kunnen uitvoeren en te onderbouwen en ook om een hypothese te kunnen opstellen.
Tweelingen
Tweelingen zijn broertjes en/of zusjes die op hetzelfde moment ontstaan zijn en op hetzelfde moment geboren worden. Je kunt onderscheid maken in één- en twee-eiige tweelingen.
Zoals de naam al zegt ontstaat het verschil aan het begin. Eeneiige tweelingen (monozygote tweelingen) ontstaan uit een bevruchting van één eicel en één zaadcel. Door een nog onbekende reden deelt de zygote zich, waardoor twee embryo’s ontstaan. Deze deling kan op verschillende momenten plaatsvinden.
Bij het grootste deel van de eeneiige tweelingen vindt de splitsing plaats voor de tiende dag na de bevruchting. Beide helften ontwikkelen zich dan als een apart embryo. Het kan zijn dat de splitsing plaats heeft voor het ontwikkelen van de vruchtvliezen of daarna. De vruchtvliezen bestaan uit een amnion en een chorion. Als de splitsing voor de ontwikkeling van de vruchtvliezen plaatsvindt, voor de vijfde dag na de bevruchting hebben de embryo´s ieder een eigen amnion en eigen chorion. Dit is bij ongeveer 33% van de tweelingen. (zie fig. 1A blz. 4) Vindt de splitsing daarna plaats, tussen de vijfde en de tiende dag na de bevruchting dan hebben de embryo´s een eigen amnion, maar delen ze het chorion. Dit is bij ongeveer 66% van de tweelingen. (zie fig. 1B blz. 4)
Bij ongeveer 4% van de eeneiige tweelingen vindt de splitsing pas plaats na de tiende dag, de embryo´s delen dan zowel het amnion als het chorion. Bij deze late splitsingen kan een Siamese tweeling ontstaan als de deling onvolledig verloopt. (zie fig. 1C blz. 4)
Een eeneiige tweeling is genetisch volledig identiek. Dat komt doordat de cellen waaruit ze ontstaan zijn dezelfde oorsprong hebben. Hierdoor zijn eeneiige tweelingen ook altijd van hetzelfde geslacht.

Fig. 1 – Splitsing voor de vijfde dag (A), splitsing tussen de vijfde en tiende dag (B), latere splitsing (C)
Twee-eiige tweelingen (dizygote tweelingen) ontstaan uit een bevruchting van twee eicellen met twee zaadcellen. (zie fig. 2)

Fig. 2 – ontstaan van een twee-eiige tweeling
Door een dubbele eisprong zijn er twee eicellen vrijgekomen.
Bij de menstruatiecyclus worden meerdere eicellen aangezet tot ontwikkeling. Meestal remt de eicel die tot volledige ontwikkeling komt de andere eicellen, dit gebeurt onder invloed van gonadotropines hierdoor komt slechts één eicel vrij bij de eisprong. Bij sommige vrouwen is de gonadotropineconcentratie verhoogd, hierdoor kan de remming niet goed verlopen waardoor er een dubbele eisprong plaatsvindt.
Er zijn verschillende redenen te vinden voor deze dubbele eisprong.
Vrouwen die op latere leeftijd zwanger worden hebben een verhoogde kans op een tweeling, de oorzaak hiervan zijn de gonadotropines. Bij vrouwen boven de 35 jaar komt er meer van dat hormoon vrij waardoor er meer eicellen kunnen worden afgegeven.
Een dubbele eisprong kan ook erfelijk bepaald zijn, het tweelingenregister aan de Universiteit van Amsterdam is aan het onderzoeken welk gen hiervoor verantwoordelijk zou kunnen zijn. De oorzaak van de erfelijkheid is dus nog niet bekend, maar dat het erfelijk is wel. Er is ook bekend dat zowel de vader als de moeder het gen kan dragen. De vader kan er echter niet voor zorgen dat er een tweeling geboren wordt, maar hij kan het overgeven aan zijn dochter die op haar beurt wel een verhoogde kans kan hebben op een tweelingzwangerschap.
Twee-eiige tweelingen zijn ontstaan door bevruchting van de twee eicellen. Bij een twee-eiige tweeling gebeurt in wezen hetzelfde als bij broers en/of zussen, ze ontstaan uit twee verschillende ei- en zaadcellen. Alleen de twee-eiige tweeling ontstaat op hetzelfde moment en een broers en/of zussen niet.
Intelligentie
Intelligentie wordt over het algemeen omschreven als de vaardigheid om problemen op te kunnen lossen, te kunnen leren en/of veel te weten. Ik ben nog geen eenduidige definitie van intelligentie tegengekomen. Iedereen heeft verschillende opvattingen, er zijn talloze theorieën.
In mijn onderzoek omschrijf ik intelligentie als een combinatie van het IQ (intelligentiequotiënt) en het leervermogen.
Een IQ test is een test die je capaciteiten op het gebied van taal, rekenkunde en logica meet. Uit die test komt een score (IQ score), deze geeft aan hoe je ten opzichte van de gemiddelde intelligentie van anderen scoort. Er wordt een gemiddelde genomen van 100 met een standaarddeviatie van 15. Het gemiddelde IQ ligt dus tussen 85 en 115 punten.
Door o.a. Daniëlle Posthuma is in 2001 uitgebreid onderzoek gedaan naar IQ scores bij tweelingen. Uit haar onderzoek bleek dat het deel van het IQ dat door erfelijke invloeden verklaard kan worden groter wordt naarmate men ouder is. Haar resultaten zijn gecombineerd met eerder onderzoek bij jonge kinderen en tieners uitgevoerd door het tweelingenregister. Daaruit is een tabel gekomen met de verdeling van het IQ. (zie fig. 3)
Fig. 3 – weergave van percentage verklaarde verdeling van het IQ
‘Genetisch’ is het deel van het IQ dat verklaard kan worden door erfelijke factoren. Het getal in de zwarte balk geeft aan welk percentage er bij de verschillende leeftijden hoort.
‘Gedeelde omgeving’ heeft te maken met de opvoeding en de omgeving waarin iemand is opgegroeid. Dit zijn de donkergrijze balken in de tabel, vanaf 16 jaar is dit geen verklaring meer voor het verschil in IQ.
‘Niet-gedeelde omgeving’ heeft te maken met sociale contacten en de omgeving waarin je terechtkomt, bijvoorbeeld school, werk, vrienden en hobby’s. Dit is het lichtgrijze balkje in de tabel.
In de grafiek is te zien dat het deel van het IQ dat verklaard kan worden door erfelijkheid steeds groter wordt naarmate men ouder is, maar na een bepaalde leeftijd wordt het deel ook weer iets kleiner. Rond de 26 jaar is het erfelijke aandeel het grootst. Een voor de hand liggende reden voor het toenemen van het genetische deel van de intelligentie is dat je intelligentie ontwikkelt door naar school te gaan. Tot het 26e levensjaar zullen veel mensen blijven leren, vaak minder lang maar meestal niet veel langer. Daarna gaan de meeste mensen aan het werk, je hebt op dat moment je intelligentie goed ontwikkelt en zult later nog wel bijleren, maar je zult je intelligentie niet veel verder ontwikkelen.
Voor mijn onderzoek betekent deze tabel dat het IQ van eeneiige tweelingen grotendeels op elkaar moet lijken omdat een groot deel verklaard kan worden door erfelijke invloeden. Zeker op latere leeftijd. Het betekent echter ook dat ik te maken ga krijgen met verschillende onbekende factoren waar ik weinig mee kan, dat zijn de ‘gedeelde omgeving’ en ‘niet-gedeelde omgeving’. Met ‘gedeelde omgeving’ zou ik nog iets meer kunnen dan met ‘niet-gedeelde omgeving’. Ik zou kunnen kijken of ze door dezelfde mensen zijn opgevoed, of ze evenveel kansen hadden en of ze bijvoorbeeld naar dezelfde school zijn geweest, maar dat is best lastig om goed te kunnen bepalen.
Over het leervermogen is minder informatie te vinden. Een eenduidige omschrijving is er niet. Ik heb de volgende definitie van leervermogen: het leervermogen is het vermogen en het gemak om te leren. Een combinatie van intelligentie, aandacht, reactiesnelheid, verbaal vermogen, geheugen en inzicht. Dat is te testen door middel van taakjes/spelletjes die deze vaardigheden testen. Ik ben tot deze definitie gekomen door verschillende definities van het leervermogen te combineren en te kijken wat in elke definitie naar voren kwam. (zie bronnen onderaan de pagina)
Ik heb de leervermogentest van mijn onderzoek zelf samengesteld, het bestaat uit een vijftal taakjes/spelletjes die elke proefpersoon een aantal malen doet. Die taakjes/spelletjes testen verschillende vaardigheden zoals het geheugen, tactiek, inzicht en reactiesnelheid.
Naar aanleiding van de hierboven staande theorie heb ik besloten het onderzoek als volgt uit te voeren. Ik neem bij elk tweelingpaar een IQ test af, een leervermogentest en ik vraag ze een lijstje in te vullen met vragen over het opleidingsniveau. Ik denk dat ik dan verschillende elementen van de intelligentie onderzoek en daardoor een goede conclusie kan trekken. Als controle voor mijn onderzoek gebruik ik twee-eiige tweelingen. Zij zijn genetisch gezien broers en zussen, maar verschillen verder niet met de eeneiige tweelingen. Daarom kan ik de eeneiige tweelingen met de twee-eiige tweelingen vergelijken.
In het volgende hoofdstuk komen mijn onderzoeksvraag en deelvragen aan bod. Door middel van de hierboven staande theorie heb ik deze onderzoeksvraag en deelvragen opgesteld. |
ONDERZOEKSVRAAG
Naar aanleiding van de gevonden theorie heb ik de volgende onderzoeksvraag opgesteld:
Hoe identiek zijn eeneiige tweelingen op het gebied van intelligentie?
Omdat intelligentie volgens mijn theorie uit meerdere aspecten bestaat heb ik een aantal deelvragen opgesteld. Door eerst op deze vragen antwoord te geven kan ik later de onderzoeksvraag beantwoorden.
De deelvragen zijn:
-
Hoe gelijk is het IQ van eeneiige tweelingen?
-
Hoe gelijk is het leervermogen van eeneiige tweelingen?
-
Wat is het opleidingsniveau van de eeneiige tweelingen, is dat gelijk?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden vergelijk ik de eeneiige tweelingen met twee-eiige tweelingen. Ik kan namelijk wel onderzoeken of eeneiige tweelingen identiek zijn op het gebied van intelligentie, maar ik kan dat alleen onderbouwen als ik ook weet hoe het zit bij andere mensen. Ik heb gekozen voor twee-eiige tweelingen omdat zij genetisch gezien broers en zussen zijn, die verder overeenkomen met eeneiige tweelingen.
In het volgende hoofdstuk zal ik mijn hypothese opstellen en onderbouwen. |
HYPOTHESE
Voordat ik ben begonnen met mijn onderzoek heb ik eerst een hypothese gemaakt, die ik met behulp van de gevonden theorie heb opgesteld.
Mijn algemene hypothese is dat de intelligentie van eeneiige tweelingen grotendeels overeenkomt.
Omdat ik ook mijn onderzoek splits in verschillende deelvragen, splits ik ook de hypothese op in deze verschillende deelvragen.
Allereerst het IQ. Ik denk dat het IQ grotendeels overeenkomt naar aanleiding van figuur 3 (blz. 6) waarin de verdeling van het IQ weergeven wordt in factoren waardoor het IQ verklaard kan worden.
De erfelijke factoren van eeneiige tweelingen zijn gelijk, omdat ze precies dezelfde genen hebben. Het verschil in intelligentie zou theoretisch gezien alleen bepaald kunnen worden door de gedeelde omgeving en niet-gedeelde omgeving.
De tweelingen in mijn onderzoek zijn waarschijnlijk allemaal samen opgegroeid, ze hebben dus dezelfde verzorgers gehad. Hun gedeelde omgeving zal daarom grotendeels overeenkomen. Dat kun je alleen niet onderzoeken, maar ik neem aan dat het wel gelijk is, al blijft het een onzeker punt. Bij twee-eiige tweelingen is overigens deze gedeelde omgeving waarschijnlijk ook gelijk, daarom is dit een betere vergelijking met eeneiige tweelingen dan broers of zussen.
De niet-gedeelde invloeden hebben waarschijnlijk te maken met de invloeden waarmee de personen, in dit geval tweelingen, te maken krijgen als ieder zijn eigen weg gaat. Voorbeelden hiervan zijn school, werk en later ook de omgeving waarin je gaat wonen. Deze omgeving kan gedeeltelijk overeenkomen, maar het hoeft niet. Hier neem ik aan dat het een onbekende factor is, omdat ik er geen onderzoek naar kan doen. Een eventueel verschil ik IQ zo hierdoor verklaard kunnen worden.
Het IQ is niet de enige methode om intelligentie weer te geven, het is slechts een meting van de kennis op een bepaald moment. Leervermogen is een andere manier om intelligentie te testen die ik heb gebruikt. Leervermogen is het vermogen om kennis op te nemen, te leren. Ik denk dat dat ook ongeveer gelijk moet zijn, want als het IQ gelijk is betekent dat, dat ze op een bepaald moment evenveel kennis hebben opgedaan. Daaruit is af te leiden dat ze in dezelfde tijd evenveel hebben geleerd, dus dat het vermogen om te leren wel ongeveer gelijk moet zijn. Als intelligentie gedeeltelijk erfelijk is, dan moet het leervermogen ook wel deels erfelijk zijn, want als je niet goed kunt leren kun je nooit even intelligent zijn als iemand die wel goed kan leren. Overigens speelt ook nog mee of elk individu er evenveel tijd in steekt, even gemotiveerd is. Motivatie kan deels erfelijk bepaald zijn, omdat het ligt aan je karakter en daarvan is bepaald dat het gedeeltelijk erfelijk is (onderzoek van het tweelingenregister aan de VU door E.C.J. de Geus e.a.), maar ik denk dat motivatie ook grotendeels meegeven kan worden door de omgeving. Dit zal dus beschouwd moeten worden als een onbekende factor.
Als mijn hypothese klopt dan zal de intelligentie van eeneiige tweelingen meer overeenkomen dan de intelligentie van twee-eiige tweelingen. Dat betekent dat zowel de IQ scores als de uitkomst van het leervermogen van eeneiige tweelingen significant dichter bij elkaar liggen dan van twee-eiige tweelingen.
|
WERKWIJZE
MATERIAAL
- 16 eeneiige tweelingen
- 12 twee-eiige tweelingen
- IQ test uit ‘Prisma, test zelf uw kennis’ van Johan Zonnenberg
- Leervermogen test bestaande uit 5 taakjes:
- Memory
- Reactiesnelheid
- Tower of hanoi met drie schijven
- Geheugen gezicht
- Tower of hanoi met vier schijven
- Microsoft FrontPage 2000
De taakjes van de leervermogen test heb ik van de volgende website:
www.sentinelli.nl (2005)
Dat is een website met zogenaamde Javascripts, dat zijn codes die je op een website kunt gebruiken. Er is een hele lijst met spellen en ik heb daar deze vijf spellen uitgekozen om te gebruiken.
METHODE
In dit hoofdstuk bespreek ik de gebruikte methoden. Dit hoofdstuk is onderverdeeld in verschillende kopjes, namelijk: voorbereidingen, afnemen van het onderzoek, IQ test, leervermogen, opleidingsniveau. De methode om de resultaten te verwerken is het laatste kopje van dit hoofdstuk.
Voorbereidingen
Om het onderzoek te kunnen uitvoeren zijn tweelingen nodig en testen. Ik ben begonnen met het verzamelen van tweelingen. Via internet, forums en mensen uit de omgeving ben ik op zoek gegaan naar tweelingen. Het uitgangspunt was 20 eeneiige en 20 twee-eiige tweelingen. Ik heb verschillende tweelingen persoonlijk gemaild of gebeld en zo kwam ik al snel aan een behoorlijk aantal tweelingen.
Gebruik maken van het medium internet leek me een goede optie, ik heb daarom een website gemaakt waarop de verschillende testen zouden komen.
Afnemen van het onderzoek
Ik heb de tweelingen de test (die hieronder beschreven wordt) laten doen via internet, waarbij we zo mogelijk met elkaar in verbinding stonden via het chatprogramma MSN, niet iedereen was in het bezit van dit programma. Ik kon zo in de gaten houden of de tweelingen zich aan de tijd hielden, dit is van belang omdat voor de IQ test een bepaalde tijd staat. De tweelingen hebben het onderzoek grotendeels tegelijk gedaan, en als dat niet mogelijk was meteen na elkaar zodat er de mogelijkheid om te overleggen over het onderzoek was beperkt.
IQ test
De IQ test heb ik uit een boekje gehaald uit ‘Prisma, test zelf uw kennis’ van Johan Zonnenberg. Het is niet de beste test omdat het geen officiële test is en omdat hij al verouderd is (1994), maar als leek kun je niet aan een betere test komen, je moet bevoegd zijn om een officiële test af te nemen.
De IQ test heb ik onderverdeeld in drie onderdelen:
-
Verbale intelligentie, waar alle taalvragen bij horen. Hierbij waren 51 vragen en er stonden 27 minuten voor.
-
Numerieke intelligentie, waar alle rekenkundige vragen bij horen. Hierbij waren 33 vragen en er stonden 18 minuten voor.
-
Ruimtelijke intelligentie, waar de ruimtelijk inzicht vragen bij horen. Hierbij waren 6 vragen en daar stonden 5 minuten voor.
De tijd per onderdeel heb ik berekend met behulp van de tijd die voor de hele test stond, 45 minuten. Ik heb die 45 minuten gedeeld door het totaal aantal vragen (90) en daaruit kwam dat je voor elke vraag ongeveer 30 seconden had. Door het aantal vragen met die 30 seconden te vermenigvuldigen, en het iets naar boven af te ronden kwam ik aan de tijden voor elk onderdeel.
De tweelingen hebben ieder de test gedaan, de resultaten zijn naar mijn e-mail gezonden zodat ik de test kon nakijken.
Het aantal goede antwoorden is verbonden aan een zogenaamde verstandelijke leeftijd, die te vinden is in tabel 1 uit de bijlage (blz. 35)
Als iemand ouder is dan 15,5 jaar dan deel je deze verstandelijke leeftijd door 186 en vermenigvuldig je het met 100, de gevonden waarde is de IQ score.
Als iemand jonger is dan 15,5 jaar dan deel je de verstandelijke leeftijd door het aantal maanden dat iemand oud is, ook dat vermenigvuldig je met 100 en daar komt de IQ score uit. Mensen boven de 15,5 jaar worden met dezelfde maat gemeten. Als je 15,5 jaar oud bent, dan ben je 186 maanden oud, daar komt dus de waarde 186 vandaan.
Hoe ik de IQ scores verder verwerk is te lezen onder het kopje resultaten verwerken.
Leervermogen
Zoals ik eerder schreef heb ik de leervermogentest zelf ontworpen. Ik heb een vijftal taakjes/spelletjes gezocht die te maken hadden met de aspecten die horen bij de omschrijving van het begrip leervermogen.
Ik zal kort per spel uitleggen wat de bedoeling van het spel is en wat de tweelingen gedaan hebben.
Tussen haakjes staat de naam van het spelletje zoals ik het in het onderzoek genoemd heb, deze namen geven aan wat het spelletje test.
Het eerste spel is memory (geheugen 1), alom bekend. Het is de bedoeling zo snel mogelijk alle paren te vinden van de plaatjes. Door te onthouden waar de plaatjes zitten kun je sneller de paren vinden.
Dit spel heeft dus te maken met het geheugen en geheugen/onthouden is leervermogen.
Elke tweelingen heeft dit spel twee keer gedaan. Onder het memoryveld loopt een klokje, nadat de tweelingen klaar waren hebben ze de tijd die ze nodig hadden ingevuld en die resultaten zijn naar mijn e-mail gezonden.
Het tweede spel heeft te maken met reactiesnelheid (reactiesnelheid), één van de onderdelen uit de definitie van leervermogen (zie blz. 7). Er staat een vlak met daaronder een start en stopknop. Je klikt op start en wacht tot het vlakje verkleurt en klikt zo snel mogelijk op stop. Dit is je reactietijd. De tweelingen hebben die vijf keer gedaan en de tijden ingevuld. Ook deze tijden zijn naar mijn e-mail gezonden om te kunnen verwerken.
Het derde spel heet Tower of Hanoi (tactiek 1), dat heeft te maken met tactiek en inzicht, dat wederom voorkomt in de definitie van leervermogen (zie blz. 7). Er zijn drie torens met schijven. Het is de bedoeling dat je de schijven overbrengt naar toren drie waar ze in dezelfde volgorde staan. Je mag daarvoor toren twee gebruiken, maar een grotere schijf mag niet op een kleinere schijf staan. Bij drie schijven heb je minimaal 7 stappen nodig.
De tweelingen hebben tactiek 1 twee keer gedaan. Ik kan zo zien of ze het leren door het de tweede keer beter te doen, of dat ze het niet leren door het de tweede keer ook niet goed te doen of zelfs nog slechter. De derde mogelijkheid van niet leren is dat ze het beide keren al weten.
Het vierde spel is een geheugenspel (geheugen 2). Er staat hier een gezicht bestaande uit 10 onderdelen. Door op start te drukken verandert het gezicht, als het veranderen gestopt is moet je het gezicht in je opnemen. Door op ‘done’ te drukken komen er vraagtekens te staan. Nu moet je het gezicht namaken. Je hebt per onderdeel (neus, wang, mond etc) keus uit drie verschillende mogelijkheden. Dit spel hebben de tweelingen twee keer gedaan.
Het vijfde spel is ook Tower of Hanoi (tactiek 2), maar nu met 4 schijven. Er zijn nu minimaal 15 stappen nodig. Dit hebben de tweelingen wederom twee keer gedaan. Door het de tweede keer met meer schijven te doen kan ik zien of de tweelingen het geleerd hebben, want het principe blijft hetzelfde alleen heb je meer stappen nodig.
Opleidingsniveau
Het derde en laatste onderdeel van het onderzoek is een korte vragenlijst over het opleidingsniveau. Het opleidingsniveau zegt ook iets over de intelligentie van een persoon, vandaar dat dit onderdeel is van het onderzoek.
In de vragenlijst staan de volgende vragen:
-
Heb je de basisschool doorlopen?
-
Wat is je CITO score als je die hebt?
-
Wat voor middelbare school heb je gedaan?
-
Welk niveau vervolgopleiding heb je gedaan?
-
Welke opleiding was dat?
-
Wat is je hoogst genoten opleiding?
Deze vragenlijst is te zien op http://www.tweelingenonderzoek.nl/opleidingsniveau.htm
RESULTAATVERWERKING
Voor het verwerken van de resultaten heb ik een statistische toets gebruikt die voor bijna alle testen te gebruiken is: eenzijdige toets voor gemiddelden.
Bij deze toets stel je eerst hypotheses op de 0-hypothese, H0 en de alternatieve hypothese, H1.
µ1 = in dit onderzoek gemiddeld verschil bij eeneiige tweelingen
µ2 = in dit onderzoek gemiddeld verschil bij twee-eiige tweelingen
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Dit betekent dat de nulhypothese is dat het gemiddelde verschil bij eeneiige en twee-eiige tweelingen gelijk is en dat dat alternatieve hypothese is dat het verschil bij twee-eiige tweelingen groter is dan bij eeneiige tweelingen.
Om deze test uit te voeren heb je bepaalde gegevens nodig per onderzochte groep:
-
gemiddelde verschil
-
aantal deelnemers (n)
-
standaarddeviatie van het gemiddelde (s)
Omdat ik niet zo’n hele grote steekproef heb ga ik uit van een onbetrouwbaarheid van 10%. Hoe kleiner de onbetrouwbaarheid, des te betrouwbaarder zijn je conclusies. Omdat het onderzoek wat kleinschaliger is zijn de resultaten al iets minder betrouwbaar, om dan toch een duidelijke conclusie te kunnen trekken is het verstandig om de betrouwbaarheid iets te verlagen. Vandaar een betrouwbaarheid van 90% (of een onbetrouwbaarheid van 10%)
Eerst bereken je de standaarddeviatie van de verschilvariabele (Sv), dat is de standaarddeviatie die je verder in deze toets gebruikt:
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 ))
Je hebt ook de t-waarde nodig, die kun je uit een tabel halen (o.a. in Cijfers Spreken, J. Brinkman, blz. 315). In dit geval baseer je de t-waarde op de kleinste steekproef. Je moet dan uitgaan van het aantal vrijheidsgraden (dF) n-1.
Met de berekende waarden kan je de grens van het kritieke gebied bepalen, dat betekent dat ik kan bepalen vanaf welke waarde het verschil niet meer aan toeval ligt en dus een significant verschil is.
Grens kritiek gebied = twaarde ∙ sv
Als je gevonden verschil onder de waarde van het kritieke gebied ligt dan is het verschil ontstaan door toeval, ligt het erboven dan is het een significant verschil. |
RESULTATEN
In dit hoofdstuk zijn alle resultaten terug te vinden in de vorm van tabellen. Wat ik verder met deze resultaten doe is te lezen in het volgende hoofdstuk getiteld verwerking.
IQ SCORES
In onderstaande tabel staan de IQ scores van de onderzochte tweelingen. Score 1 is het resultaat van de ene helft van de tweeling en score 2 is het resultaat van de andere helft.
| Eeneiige tweelingen |
|
Twee-eiige tweelingen |
|
score 1 |
score 2 |
verschil |
|
|
score 1 |
score 2 |
verschil |
tweeling 1 |
111 |
111 |
0 |
|
tweeling 1 |
119 |
117 |
2 |
tweeling 2 |
93 |
101 |
8 |
|
tweeling 2 |
107 |
102 |
5 |
tweeling 3 |
116 |
105 |
11 |
|
tweeling 3 |
111 |
94 |
17 |
tweeling 4 |
81 |
74 |
7 |
|
tweeling 4 |
103 |
111 |
8 |
tweeling 5 |
130 |
129 |
1 |
|
tweeling 5 |
102 |
111 |
9 |
tweeling 6 |
138 |
118 |
20 |
|
tweeling 6 |
138 |
102 |
36 |
tweeling 7 |
113 |
109 |
4 |
|
tweeling 7 |
117 |
97 |
20 |
tweeling 8 |
94 |
92 |
2 |
|
tweeling 8 |
102 |
81 |
21 |
tweeling 9 |
121 |
97 |
24 |
|
tweeling 9 |
78 |
92 |
14 |
tweeling 10 |
106 |
109 |
3 |
|
tweeling 10 |
123 |
98 |
25 |
tweeling 11 |
69 |
77 |
8 |
|
tweeling 11 |
118 |
115 |
3 |
tweeling 12 |
112 |
119 |
7 |
|
tweeling 12 |
123 |
121 |
2 |
tweeling 13 |
110 |
99 |
11 |
|
|
|
|
|
tweeling 14 |
130 |
126 |
4 |
|
|
|
|
|
tweeling 15 |
89 |
90 |
1 |
|
|
|
|
|
tweeling 16 |
103 |
102 |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
gemiddeld |
|
|
7,00 |
|
gemiddeld |
|
|
13,50 |
Ik heb van elke tweeling het verschil in IQ scores geplaatst in de laatste kolom (verschil). Van al deze verschillen heb ik het gemiddelde berekend. Dat gemiddelde heb ik nodig om de resultaten statistisch te kunnen verwerken, zoals in het volgende hoofdstuk wordt beschreven.
LEERVERMOGEN
Hieronder staan de resultaten van de leervermogen test, ik heb de resultaten in tabellen gezet per spel. Van geheugen 1, reactiesnelheid en geheugen 2 heb ik de verschillen van de gemiddelden in de tabellen gezet. Geheugen 1 en 2 hebben de tweelingen 2 keer gedaan en reactiesnelheid hebben ze 5 keer gedaan, van die resultaten heb ik het gemiddelde genomen en gekeken wat dan het verschil was. Die zijn te zien in de tabellen.
Geheugen 1
Hieronder staat de tabel van het spel geheugen 1. Dit spel is door iedereen twee keer gedaan. Ik heb van ieder individueel het gemiddelde genomen en per tweeling het verschil tussen deze gemiddelden in de tabel gezet.
| verschillen: |
Eeneiige tweelingen |
Verschillen: |
Twee-eiige tweelingen |
Tweeling 1 |
0,24 sec. |
Tweeling 1 |
0,27 sec. |
Tweeling 2 |
0,03 sec. |
Tweeling 2 |
0,26 sec. |
Tweeling 3 |
0,05 sec. |
Tweeling 3 |
0,01 sec. |
Tweeling 4 |
1,1 sec. |
Tweeling 4 |
0,17 sec. |
Tweeling 5 |
0,04 sec. |
Tweeling 5 |
0,1 sec. |
Tweeling 6 |
0,03 sec. |
Tweeling 6 |
1 sec. |
Tweeling 7 |
0,12 sec. |
Tweeling 7 |
0,04 sec. |
Tweeling 8 |
0,3 sec. |
Tweeling 8 |
0,02 sec. |
Tweeling 9 |
0,07 sec. |
Tweeling 9 |
1,29 sec. |
Tweeling 10 |
0,22 sec. |
Tweeling 10 |
1,33 sec. |
Tweeling 11 |
1,11 sec. |
Tweeling 11 |
1 sec. |
Tweeling 12 |
0,05 sec. |
Tweeling 12 |
0,04 sec. |
Tweeling 13 |
0,55 sec. |
|
|
Tweeling 14 |
0 sec. |
|
|
Tweeling 15 |
0,17 sec. |
|
|
Tweeling 16 |
0,07 sec. |
|
|
|
|
|
|
gemiddeld |
0,26 sec. |
gemiddeld |
0,46 sec. |
Reactiesnelheid
In de onderstaande tabel staan de resultaten van reactiesnelheid. Dit heeft iedereen 5 keer gedaan. Ik heb ook hierbij van ieder individueel het gemiddelde genomen en per tweeling het verschil tussen deze gemiddelden in de tabel gezet.
verschillen: |
Eeneiige tweelingen |
Verschillen: |
Twee-eiige tweelingen |
Tweeling 1 |
0,077 sec. |
Tweeling 1 |
0,026 sec. |
Tweeling 2 |
0,060 sec. |
Tweeling 2 |
0,002 sec. |
Tweeling 3 |
0,035 sec. |
Tweeling 3 |
0,052 sec. |
Tweeling 4 |
0,059 sec. |
Tweeling 4 |
0,068 sec. |
Tweeling 5 |
0,015 sec. |
Tweeling 5 |
0,127 sec. |
Tweeling 6 |
0,016 sec. |
Tweeling 6 |
0,010 sec. |
Tweeling 7 |
0,020 sec. |
Tweeling 7 |
0,043 sec. |
Tweeling 8 |
0,037 sec. |
Tweeling 8 |
0,183 sec. |
Tweeling 9 |
0,030 sec. |
Tweeling 9 |
0,090 sec. |
Tweeling 10 |
0,094 sec. |
Tweeling 10 |
0,019 sec. |
Tweeling 11 |
0,101 sec. |
Tweeling 11 |
0,016 sec. |
Tweeling 12 |
0,039 sec. |
Tweeling 12 |
0,031 sec. |
Tweeling 13 |
0,040 sec. |
|
|
Tweeling 14 |
0,120 sec. |
|
|
Tweeling 15 |
0,068 sec. |
|
|
Tweeling 16 |
0,034 sec. |
|
|
gemiddeld |
0,0528 sec. |
gemiddeld |
0,0556 sec. |
Geheugen 2
Hieronder staat de tabel van het spel geheugen 2. Dit spel is door iedereen twee keer gedaan. Het resultaat was een waarde tussen de 0 en 10, want de tweelingen konden maximaal 10 onderdelen goed hebben.
Hierbij heb ik per keer het verschil in aantal goede antwoorden bekeken en het gemiddelde van die verschillen genomen. Het gemiddelde verschil staat in de tabel.
verschillen: |
Eeneiige tweelingen |
Verschillen: |
Twee-eiige tweelingen |
Tweeling 1 |
4,0 |
Tweeling 1 |
1,5 |
Tweeling 2 |
5,5 |
Tweeling 2 |
1,0 |
Tweeling 3 |
2,0 |
Tweeling 3 |
2,5 |
Tweeling 4 |
1,0 |
Tweeling 4 |
5,5 |
Tweeling 5 |
2,0 |
Tweeling 5 |
1,0 |
Tweeling 6 |
1,0 |
Tweeling 6 |
3,0 |
Tweeling 7 |
2,0 |
Tweeling 7 |
1,0 |
Tweeling 8 |
0,0 |
Tweeling 8 |
2,0 |
Tweeling 9 |
1,5 |
Tweeling 9 |
0,5 |
Tweeling 10 |
2,5 |
Tweeling 10 |
1,0 |
Tweeling 11 |
1,5 |
Tweeling 11 |
1,5 |
Tweeling 12 |
3,5 |
Tweeling 12 |
0,0 |
Tweeling 13 |
0,5 |
|
|
Tweeling 14 |
1,0 |
|
|
Tweeling 15 |
0,0 |
|
|
Tweeling 16 |
0,5 |
|
|
gemiddeld |
1,78 |
gemiddeld |
1,71 |
Tactiek 1
Hieronder staan de resultaten van tactiek 1. Dit spel heeft iedereen 2 keer gedaan. De waarden in de tabel zijn het aantal stappen dat de tweelingen nodig hadden om te schijven te verplaatsen. Het minimum was bij dit spel 7 stappen. De eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen staan in dit geval in een aparte tabel omdat het niet naast elkaar paste.
A 1 = persoon A voor de eerste keer
A 2 = persoon A voor de tweede keer
B 1 = persoon B voor de eerste keer
B 2 = persoon B voor de tweede keer
| Eeneiige tweelingen |
A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
tweeling 1 |
14 |
7 |
7 |
11 |
tweeling 2 |
7 |
13 |
7 |
7 |
tweeling 3 |
11 |
7 |
14 |
7 |
tweeling 4 |
7 |
34 |
9 |
14 |
tweeling 5 |
17 |
9 |
11 |
7 |
tweeling 6 |
9 |
7 |
7 |
7 |
tweeling 7 |
12 |
13 |
11 |
7 |
tweeling 8 |
7 |
7 |
7 |
7 |
tweeling 9 |
7 |
7 |
7 |
7 |
tweeling 10 |
18 |
7 |
13 |
11 |
tweeling 11 |
7 |
12 |
niet |
7 |
tweeling 12 |
7 |
7 |
7 |
16 |
tweeling 13 |
9 |
7 |
8 |
7 |
tweeling 14 |
9 |
8 |
9 |
14 |
tweeling 15 |
>12 |
>12 |
7 |
7 |
tweeling 16 |
8 |
7 |
13 |
7 |
Twee-eiige tweelingen |
A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
tweeling 1 |
10 |
7 |
7 |
14 |
tweeling 2 |
9 |
7 |
11 |
7 |
tweeling 3 |
9 |
7 |
14 |
9 |
tweeling 4 |
17 |
7 |
14 |
10 |
tweeling 5 |
7 |
7 |
15 |
12 |
tweeling 6 |
13 |
9 |
7 |
7 |
tweeling 7 |
8 |
7 |
14 |
7 |
tweeling 8 |
11 |
7 |
14 |
8 |
tweeling 9 |
7 |
7 |
7 |
16 |
tweeling 10 |
8 |
7 |
7 |
7 |
tweeling 11 |
13 |
7 |
7 |
7 |
tweeling 12 |
7 |
7 |
7 |
7 |
Tactiek 2
De resultaten van tactiek 2 lijken sterk op de resultaten van tactiek 1, alleen de waarden zijn verschillend. De minimum waarde is nu ook 15. Ook nu geldt:
A 1 = persoon A voor de eerste keer
A 2 = persoon A voor de tweede keer
B 1 = persoon B voor de eerste keer
B 2 = persoon B voor de tweede keer
Eeneiige tweelingen |
A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
tweeling 1 |
56 |
18 |
47 |
15 |
tweeling 2 |
25 |
18 |
15 |
15 |
tweeling 3 |
24 |
23 |
26 |
17 |
tweeling 4 |
16 |
15 |
27 |
17 |
tweeling 5 |
niet |
niet |
15 |
15 |
tweeling 6 |
15 |
20 |
16 |
15 |
tweeling 7 |
17 |
15 |
15 |
24 |
tweeling 8 |
17 |
20 |
20 |
20 |
tweeling 9 |
15 |
15 |
15 |
15 |
tweeling 10 |
35 |
35 |
17 |
18 |
tweeling 11 |
20 |
25 |
24 |
24 |
tweeling 12 |
29 |
15 |
27 |
15 |
tweeling 13 |
17 |
15 |
15 |
17 |
tweeling 14 |
17 |
46 |
25 |
15 |
tweeling 15 |
niet |
21 |
15 |
15 |
tweeling 16 |
17 |
19 |
30 |
17 |
Twee-eiige tweelingen |
A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
tweeling 1 |
16 |
16 |
19 |
15 |
tweeling 2 |
17 |
17 |
25 |
25 |
tweeling 3 |
15 |
15 |
25 |
15 |
tweeling 4 |
17 |
19 |
22 |
15 |
tweeling 5 |
25 |
25 |
111 |
22 |
tweeling 6 |
28 |
18 |
21 |
15 |
tweeling 7 |
24 |
19 |
25 |
15 |
tweeling 8 |
33 |
34 |
25 |
17 |
tweeling 9 |
15 |
15 |
27 |
15 |
tweeling 10 |
17 |
19 |
32 |
19 |
tweeling 11 |
30 |
17 |
32 |
19 |
tweeling 12 |
15 |
15 |
15 |
15 |
OPLEIDINGSNIVEAU
Hieronder staan de uitkomsten van het vragenlijstje over het opleidingsniveau. Ik heb daar per tweeling de opleidingen ingezet, als het verschillend was het ik bij verschil 1 gezet en anders 0. Ik heb niet gekeken hoeveel niveau verschil er is, alleen of er het is of niet.
Ik heb de basisschool vraag buiten beschouwing gelaten in verband met de leerplicht, iedereen die aan mijn onderzoek heeft deelgenomen was verplicht naar de basisschool te gaan. Het is dus geen relevante vraag. Ook de CITO score heb ik buiten beschouwing gelaten omdat slechts een paar tweelingen de score hadden, en om daar nu een conclusie uit te trekken lijkt me niet reëel. De volgende tabellen zijn wel te vinden: middelbare school en vervolgopleiding.
Middelbare school
Eeneiige tweelingen |
Twee-eiige tweelingen |
|
|
1 |
2 |
verschil |
|
|
1 |
2 |
verschil |
tweeling 1 |
MAVO |
MAVO |
0 |
|
tweeling 1 |
VWO |
MAVO |
1 |
tweeling 2 |
VMBO |
VMBO |
0 |
|
tweeling 2 |
VWO |
VWO |
0 |
tweeling 3 |
Gym |
Gym |
0 |
|
tweeling 3 |
VWO |
VMBO |
1 |
tweeling 4 |
ULO |
ULO |
0 |
|
tweeling 4 |
VWO |
VMBO |
1 |
tweeling 5 |
MAVO |
MAVO |
0 |
|
tweeling 5 |
LHNO |
MAVO |
1 |
tweeling 6 |
TL |
TL |
0 |
|
tweeling 6 |
MAVO |
MAVO |
0 |
tweeling 7 |
TL |
TL |
0 |
|
tweeling 7 |
HAVO |
MAVO |
1 |
tweeling 8 |
HAVO |
HAVO |
0 |
|
tweeling 8 |
VWO |
VWO |
0 |
tweeling 9 |
VWO |
VWO |
0 |
|
tweeling 9 |
MAVO |
VWO |
1 |
tweeling 10 |
LEAO |
LEAO |
0 |
|
tweeling 10 |
VWO |
VWO |
0 |
tweeling 11 |
MAVO |
MAVO |
0 |
|
tweeling 11 |
MAVO |
HAVO |
1 |
tweeling 12 |
KB |
KB |
0 |
|
tweeling 12 |
HAVO |
VWO |
1 |
tweeling 13 |
LBO |
LBO |
0 |
|
|
|
|
|
tweeling 14 |
VBO |
VBO |
0 |
|
|
|
|
|
tweeling 15 |
VWO |
VWO |
0 |
|
|
|
|
|
tweeling 16 |
VBO D |
VBO D |
0 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemiddeld |
|
0 |
|
gemiddeld |
|
|
0,67 |
Vervolgopleiding
In de onderstaande tabel staat de afkorting Uni voor universiteit.
eeneiige tweelingen |
|
twee-eiige tweelingen |
|
1 |
2 |
verschil |
|
|
1 |
2 |
verschil |
tweeling 1 |
MBO |
MBO |
0 |
|
tweeling 1 |
MBO |
geen |
1 |
tweeling 2 |
Uni |
Uni |
0 |
|
tweeling 2 |
HBO |
MBO |
1 |
tweeling 3 |
MBO |
MBO |
0 |
|
tweeling 3 |
Geen |
MULO |
1 |
tweeling 4 |
VHBO |
MBO |
1 |
|
tweeling 4 |
Uni |
MBO |
1 |
tweeling 5 |
HBO |
HBO |
0 |
|
tweeling 5 |
HBO |
MBO |
1 |
tweeling 6 |
LEAO |
MBO |
1 |
|
tweeling 6 |
Uni |
MBO |
1 |
tweeling 7 |
MBO |
MBO |
0 |
|
tweeling 7 |
HBO |
HBO |
0 |
tweeling 8 |
MBO |
MBO |
0 |
|
|
|
|
|
tweeling 9 |
Uni |
Uni |
0 |
|
|
|
|
|
tweeling 10 |
MBO |
MBO |
0 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
gemiddeld |
|
|
0,20 |
|
gemiddeld |
|
|
0,86 |
|
VERWERKING
Dit hoofdstuk verdeel ik onder in kopjes, omdat ik per onderdeel van het onderzoek verschillende verwerkingen gebruik.
IQ SCORES
Bij de IQ scores wil ik testen of het gemiddelde verschil bij eeneiige tweelingen significant kleiner is dan bij de twee-eiige tweelingen. Daarvoor gebruik ik een eenzijdige toets voor gemiddelden.
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 7,0
Aantal tweelingen (n1) = 16
Standaarddeviatie (s1) = 6,870
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 13,50
Aantal tweelingen (n2) = 12
Standaarddeviatie (s2) = 10,647
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 13,50 – 7,0 = 6,5
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((6,8702 / 16) + (10,6472 / 12)) = 3,52
Ik heb de t-waarde nodig met als aantal vrijheidsgraden 11 (12-1) en met een significantieniveau van 10%, die waarde is 1,796.
Grens kritiek gebied = t11 ∙ sv = 1,796 ∙ 3,52 = 6,3
Verschillen tot 6,3 zijn ontstaan door toeval, maar boven de 6,3 verwerp je de H0 en is het verschil dus een daadwerkelijk verschil.
Ik had een verschil gevonden van 6,5. Mijn gevonden verschil is dus daadwerkelijk een verschil.
LEERVERMOGEN
De verwerking van het leervermogen heb ik in per spel gedaan. Bij geheugen 1, reactiesnelheid en geheugen 2 heb ik dezelfde verwerking gebruikt als bij de IQ test.
Geheugen 1
Om iets makkelijker te rekenen vermenigvuldig ik alle gevonden waarden met 10 zodat het iets duidelijker is.
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 2,6
Aantal tweelingen (n1) = 16
Standaarddeviatie (s1) = 3,58
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 4,6
Aantal tweelingen (n2) = 12
Standaarddeviatie (s2) = 5,28
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 4,6 – 2,6 = 2,0
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((3,582 / 16) + (5,282 / 12)) = 1,768
In de tabel voor t-waarden bij significantieniveau 10% en het aantal vrijheidsgraden (df) = 11 staat een waarde van 1,796.
Grens kritiek gebied = t11 ∙ sv = 1,796 ∙ 1,768 = 3,2
Ik kan dus de H0 niet verwerpen, de resultaten van geheugen 1 zijn dus niet significant verschillend.
Reactiesnelheid
Ik heb de waarden met 100 vermenigvuldigd om makkelijker te rekenen. Het maakt voor de resultaten niet uit.
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 5,3
Aantal tweelingen (n1) = 16
Standaarddeviatie (s1) = 3,17
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 5,6
Aantal tweelingen (n2) = 12
Standaarddeviatie (s2) = 5,41
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 5,6 – 5,3 = 0,3
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((3,172 / 16) + (5,412 / 12)) = 1,751
t-waarde is wederom 1,796.
Grens kritiek gebied = t11 ∙ sv = 1,796 ∙ 1,751 = 3,1
Ik kan dus de H0 niet verwerpen, de resultaten van reactiesnelheid zijn dus niet significant verschillend.
Geheugen 2
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 1,78
Aantal tweelingen (n1) = 16
Standaarddeviatie (s1) = 1,51
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 1,71
Aantal tweelingen (n2) = 12
Standaarddeviatie (s2) = 1,45
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 1,78 – 1,71 = 0,07
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((1,512 / 16) + (1,452 / 12)) = 0,564
Grens kritiek gebied = t11 ∙ sv = 1,796 ∙ 0,564 = 1,01
Ik kan dus de H0 niet verwerpen, de resultaten van geheugen 2 zijn dus niet significant verschillend.
Tactiek 1 en 2
Bij deze spellen kon ik geen goede verwerking vinden. En aan de resultaten te zien leek het mij niet dat hier een duidelijk verschil was tussen de resultaten van eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen. Ik heb deze resultaten daarom niet verder verwerkt.
OPLEIDINGSNIVEAU
Door middel van de eenzijdige toets voor gemiddelden kan ik ook hier de resultaten testen. Ik doe middelbare school en vervolgopleiding apart.
Middelbare school
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 0
Aantal tweelingen (n1) = 16
Standaarddeviatie (s1) = 0
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 0,67
Aantal tweelingen (n2) = 12
Standaarddeviatie (s2) = 0,49
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 0,67 – 0 = 0,67
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((02 / 16) + (0,492 / 12)) = 0,141
t-waarde is 1,796
Grens kritiek gebied = t11 ∙ sv = 1,796 ∙ 0,141 = 0,25
Mijn verschil is groter dan de grens van het kritieke gebied, de H0 kan dus verworpen worden. De verschillen tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is dus een daadwerkelijk verschil.
Vervolgopleiding
H0: µ2 = µ1
H1: µ2 > µ1
Eeneiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 0,2
Aantal tweelingen (n1) = 10
Standaarddeviatie (s1) = 0,42
Twee-eiige tweelingen
Gemiddelde verschil = 0,86
Aantal tweelingen (n2) = 7
Standaarddeviatie (s2) = 0,38
Het gemiddelde verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is 0,86 – 0,2 = 0,66
Sv = √((s12 / n1) + (s22 / n2 )) = √((0,422 / 10) + (0,382 / 7)) = 0,196
In de tabel voor t-waarden bij significantieniveau 10% en df = 6 staat een waarde van 1,943.
Grens kritiek gebied = t6 ∙ sv = 1,943 ∙ 0,196 = 0,38
Mijn verschil is groter dan de grens van het kritieke gebied, de H0 kan dus verworpen worden. Het gevonden verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen is dus een significant verschil. |
NABESPREKING
CONCLUSIE
Mijn conclusie is dat eeneiige tweelingen meer identiek zijn op het gebied van intelligentie dan twee-eiige tweelingen. Hoe ik tot deze conclusie gekomen ben bespreek ik per deelvraag.
Hoe gelijk is het IQ van eeneiige tweelingen?
De eerste deelvraag heb ik beantwoord door te toetsen of het IQ van eeneiige tweelingen meer overeenkwam dan het IQ van twee-eiige tweelingen. De resultaten daarvan zijn te lezen in het hoofdstuk resultaten en verwerking. Het gemiddelde verschil van eeneiig tweelingen was 7 punten en van twee-eiige tweelingen was dat 13,5. Dat lijkt op zich al een redelijk verschil,en uit de toets bleek ook dat de eeneiige tweelingen meer identiek zijn dan twee-eiige tweelingen. Vandaar dat is concludeer dat het antwoord op deze deelvraag is dat het IQ van eeneiige tweelingen meer gelijk is dan het IQ van twee-eiige tweelingen.
Dit komt overeen met mijn hypothese en de gevonden theorie. In de theorie staat dat het IQ voor maximaal 85% erfelijk is. Eeneiige tweelingen zijn genetisch gelijk, en daarom is het niet verwonderlijk dat de eeneiige tweelingen inderdaad meer identiek zijn dan twee-eiige tweelingen. Mijn hypothese heb ik gebaseerd op de theorie, ik verwachte dat de eeneiige tweelingen meer identiek waren, en die verwachting is uitgekomen.
Hoe gelijk is het leervermogen van eeneiige tweelingen?
Ook deze deelvraag heb ik beantwoord door de gevonden resultaten statistisch te toetsen. Slechts 3 van de 5 spellen kon ik toetsen, want voor tactiek 1 en tactiek 2 kon ik geen geschikte verwerking vinden.
Bij de andere drie spellen (geheugen 1, reactiesnelheid en geheugen 2) was het resultaat van de toets dat de gevonden verschillen berustten op toeval. De resultaten van tactiek 1 en tactiek 2 lijken ook geen duidelijk verband te hebben.
Hieruit zou ik kunnen concluderen dat het leervermogen niet afhankelijk is van je genen, dus dat eeneiige tweelingen op dit gebied niet meer identiek zijn dan twee-eiige tweelingen. Maar dat lijkt mij niet de juiste conclusie. Ik denk eerder dat ik kan concluderen dat deze leervermogentest niet juist is. Waarom ik dat denk heeft twee redenen. Ten eerste lijkt het mij dat het leervermogen in verband staat met het IQ, als je een verschillend leervermogen hebt lijkt het mij niet dat het IQ dan wel gelijk is. Zonder het vermogen om te leren kun je slecht een hoog IQ opbouwen. Ten tweede denk ik dat de spellen die ik gebruikt heb teveel op toeval berusten en dat je dus niet kan bepalen wat iemands leervermogen is uit deze test. Neem bijvoorbeeld memory, het vinden van de koppels heeft gedeeltelijk te maken met je geheugen, maar het heeft ook te maken met het toeval dat je koppels vindt of dat je op de plaatjes klikt zodat je ze snel kunt vinden.
De conclusie uit de resultaten komt niet overeen met mijn hypothese en qua theorie had ik er weinig informatie over. Over de erfelijkheid van leervermogen heb ik niets kunnen vinden. Mijn hypothese was dat het leervermogen van eeneiige tweelingen meer overeenkomt dan het leervermogen van twee-eiige tweelingen. Daarvoor heb ik dezelfde argumenten gebruikt als ik hierboven gebruik om een andere conclusie te trekken.
Wat is het opleidingsniveau van de eeneiige tweelingen, is dat gelijk?
Het antwoord op deze deelvraag is dat het opleidingsniveau van eeneiige tweelingen meer identiek is dan het opleidingsniveau van twee-eiige tweelingen. Dit concludeer ik uit de resultaten van de vragenlijstjes en de statistische toets. Het opleidingsniveau is een gevolg van IQ en leervermogen. Ik heb over het opleidingsniveau geen theorie gevonden, maar ik heb het wel in mijn hypothese opgenomen. Ik verwachte dat het meer zou overeenkomen bij eeneiige tweelingen dan bij twee-eiige tweelingen omdat het nauw in verband staat met het IQ. Als dat meer identiek zou zijn leek het mij logisch dat het opleidingsniveau ook meer identiek moet zijn. Enige afwijking kan natuurlijk omdat misschien niet iedereen hetzelfde karakter heeft en zich niet even goed inzet voor school. Maar uit mijn onderzoek bleek dat de eeneiige tweelingen allemaal hetzelfde middelbare schoolniveau hebben gedaan, maar dat er wel enkele verschillen zijn bij de vervolgopleiding. Die verschillen kunnen komen omdat de een minder goed kan leren dan de ander, maar het kan ook komen door interesse verschil. Niet alle opleidingen zijn op elk niveau te volgen.
De conclusie komt wel overeen met mijn hypothese.
Van deelvraag één en drie is de conclusie duidelijk, bij vraag twee ligt dat iets anders. Toch heb ik als algemene conclusie gekozen voor de volgende conclusie: eeneiige tweelingen zijn meer identiek op het gebied van intelligentie dan twee-eiige tweelingen.
Waarom ik toch deze conclusie heb getrokken is vanwege de gebruikte argumenten bij deelvraag twee.
|
|